‘Waarom is de wereld slecht?’

Lastige gesprekken leveren ons vaak het meeste op – zij het soms pas na een tijdje, als het kwartje valt. Eerst moeten we door de barrières van ons eigen verzet heen.

Regelmatig zit ik verstrikt in  een muurvast thema, dat in mij de kop opsteekt: “Waarom is de wereld toch zo slecht?” Verstandelijk gezien weet ik wel dat ik daar ook anders tegenaan kan kijken, maar ‘t blijft als onrechtvaardig voelen – zelfs al sterven we uiteindelijk allemaal (op zijn minst ons ego).

Natuurlijk heeft ieder mens wel van die gestolde gedachtepatronen, maar het ene onderwerp stemt treuriger dan het andere. Neem mijn buurman Henk. Zijn leidmotief heet Verontwaardiging. Hij windt zich voortdurend op over alles wat anderen ‘anders’ doen dan hijzelf. Dit in combinatie met de overtuiging ‘wie niet voor mij is, is tegen mij’. Via dat duel creëert hij zijn eigen hel. Want de hel, dat zijn de anderen, wist Sartre al te vertellen.

Mora is welhaast behept met een verwijtbare onschuld

Mora daarentegen, van mijn kookclub, denkt juist dat anderen altijd het beste met haar voor hebben, vanuit een welhaast verwijtbare onschuld. Want als je kleuter-af bent zou je toch beter moeten weten? (denk ik dan weer). Al te goed is buurmans gek! Ze wordt prompt regelmatig belazerd. Maar van iedereen die haar oplicht, voorliegt of achter haar rug om uitlacht, denkt Mora standaard dat het in wezen goed bedoeld is.
In spirituele zin heeft ze daarmee absoluut een punt. Alleen… ook bij Mora blijkt de schoonheid van haar gedachten in de praktijk slechts een selectieve interpretatie te zijn. Want als ánderen belazerd of vernederd worden, neemt Mora het de daders wel degelijk kwalijk. Dan lijdt ze hevig. Met andere woorden: ze heeft uitsluitend last van andermans kwade zin via een omweg; ze betrekt die nimmer op zichzelf. Maar lijdt wel aan de wereld.

Lood om oud ijzer
Persoonlijk vind ik het jammer dat zelfs iemand als Mora kennelijk toch niet ‘verlicht’ is. Dat bevestigt een andere standaard-vrees van mij: dat alles ‘lood om oud ijzer’ zal blijken te zijn. Want wie discrimineert er niet? Allemaal denken we duaal, verdelen we de wereld in een wij en in een zij.
Is dat erg? Niet in de neutrale zin van ‘onderscheid maken’. Een stoel is nu eenmaal geen tafel. Wel, als het onderscheid ego-gerelateerd is, want dan hangt er opeens een waarde-oordeel aan. Tegenstellingen zullen er altijd zijn: wit versus zwart, man versus vrouw, atheïst versus gelovige. Juist die verschillen maken het leven kleurrijk. Het gaat pas mis als we een vonnis over al die verschillen vellen. Niet alleen over de buitenkant (mooi, lelijk) maar ook en vooral van binnenuit: onze gedachten die in dat ‘buiten’ alles willen ordenen, interpreteren en be- of veroordelen. “Zó moet het zijn, dit is de maatstaf  en al het andere is fout/slecht/lelijk etc.” en dus de vijand. Die ons angst aanjaagt.

Of de kring van ‘wij tegen hunnie’ nu groot is of juist klein, er blijft zo altijd sprake van twee partijen. In de waan van de dag vergeten we dat het één niet zonder het ander kan en willen we het ene, het ‘goede’, afscheiden van het andere, het ‘kwaad’, terwijl ze beide slechts bij gratie van elkaar kunnen existeren. Pas als we dat zien, begrijpen we volgens mij ook de symbolische betekenis van ‘de heilige drie-eenheid’.

Het verlossende antwoord
Terug naar mijn eeuwig repeterende thema: waarom is de wereld slecht? Ik stel de vraag gewoontegetrouw weer eens aan mijn vriendin Annie. Zij kent mij (en deze gedachte) inmiddels door en door en antwoordt, in een poging tot troost: “omdat de wereld ook goed is”. Maar aangezien ik best weet dat ook Annie het Walhalla nog niet heeft bereikt zeg ik kribbig: “Wat schiet ik op met zo’n dooddoener? Jij hebt evenmin de wijsheid in pacht als ik!” Ze knikt zonder verzet. Dat troost vreemd genoeg weer wél. En we besluiten de kwestie samen eens onder de loep te nemen, de mogelijkheden af te tasten om al redenerend wellicht tot een verlossend antwoord te komen. Sterker nog: om de ultieme aha-erlebnis van het universum af te dwingen.

 Zij: “Het is natuurlijk maar net hoe je naar de wereld kijkt, waar je het accent op legt.”
Ik: “Maar verdwijnt daarmee het kwaad?”
Zij: “In zekere zin wel: wat niet bestaat in jouw gedachten, bestaat ook niet in jouw ervaring van de wereld.”
Ik: “Dat zou ontkenning zijn”.
“Maar voegt het dan iets toe, als jij je druk maakt om ‘de wereld’, terwijl je er niks aan kunt veranderen? Dan verbind je je met dat kwaad en maak je er zelf ook deel van uit.”
“Daar ben ik het niet mee eens; zo geredeneerd verandert er nooit wat! Ik probeer zelf juist zo goed mogelijk te leven…”
“Daar heb je gelijk in Emma. Jij staat vaak voor anderen klaar. Op die schaal kan je ook zeker een ‘verschil’ maken. Maar moeten anderen het daarom meteen maar net zo doen als jij? Verander de wereld, begin bij jezelf! Enne… sorry hoor, maar  ‘mind your own business’, dat zei de Dalai Lama al. Want hoe behulpzaam is het, anderen vanuit jouw ‘goedheid’ te veroordelen?”
Ik blijf koppig volhouden. “Maar de mensen moorden elkaar uit!”
“En jij wilt ze vervolgen, afstraffen, gevangen zetten?”

Ik zwijg. Hm, zo had ik het nog niet bekeken.
Annie denkt hardop: “Stel, ik heb een zoon, die letterlijk mijn Alles is. Ik zou mijn leven voor hem geven! Maar hij is behoorlijk in de war, en in die verwarring vermoordt hij iemand anders. Ja, dat is verschrikkelijk! Maar zou ik, als moeder, daarom minder van hem houden? Als dat zo is, wat is mijn liefde dan waard? Een liefde, die aan voorwaarden gebonden is?”

Ik zwijg nog steeds. Heb ook zo gauw geen antwoord klaar. Zeg dan, ietwat bitsig: “Toch heb je mooi praten. Ben jij dan nog nooit teleurgesteld in een ander?”
Annie moet nadenken. Er wil haar zo gauw niks te binnen schieten. “Ik weet wel”, zegt ze dan, “dat als wij gaan twisten over wie er ‘gelijk’ heeft, onze discussie het begin van een oorlog zou kunnen betekenen. Terwijl, het zijn maar woorden, niet de dingen zelf. En toch ontstaan er op deze manier telkens conflicten, overal en altijd weer, in het groot en in het klein. En ze kunnen lang aanhouden! Tenzij één van de partijen zo wijs is het over zijn kant te laten gaan of, in weerloosheid, de andere wang toe te keren.”

Teleurgesteld
Ik wacht nog steeds, vind dat ze mijn vraag vermijdt. Dan schiet haar toch een voorbeeld te binnen. “Ja, ook ik ben wel eens teleurgesteld. Dat was bijvoorbeeld toen mijn ex-baas, die ik altijd loyaal had gediend, mijn ontslag wist te forceren via leugens, listen en bedrog. Uitsluitend omdat ik in zijn ogen té succesvol was in mijn werk, en hij dat ervoer als een bedreiging.”
“Nou?” zeg ik triomfantelijk, “ik zei het je toch?”
“Maar dat verhaal had wel een onverwacht staartje. Want na een lang proces van rouw en woede over zoveel onrechtvaardigheid, bleek ik uiteindelijk zonder die baan beter af te zijn. Nieuwe kansen deden zich voor en inmiddels voel ik mij  gelukkiger dan toen – en zegen ik dagelijks mijn ex-baas!”

Annie lacht bij de herinnering, ik zucht. “Dat kan wel wezen, maar die man was uiteindelijk toch slecht!
Annie aarzelt. “Tja… wat weten wij ervan?” zegt ze peinzend. “Om het licht te bereiken moeten wij eerst vaak door het donker heen, als ‘dader’ of als ‘slachtoffer’. Zonder dat zouden we het licht niet eens herkennen! Maar zolang wij in duisternis rondtasten, kan de wanhoop bij gebrek aan vertrouwen inderdaad hard toeslaan. Pas achteraf zien we dan, waar het geleden leed ‘goed’ voor was. En pas dan kunnen wij het vergeten – en vergeven”. Ze lacht: “of niet natuurlijk! Want als we willen bewijzen dat de wereld slecht is, blijven we die wereld met ons leed om de oren slaan. Bewust of onbewust. Maar uiteindelijk zetten we zo alleen onszelf gevangen!”
Ik vind Annie, hoeveel liefdevolle diensten ze mij in het verleden ook heeft bewezen, nu vooral vervelend. Want ze bedoelt mij! Boos stamp ik naar buiten, knallend met de deur.

Samen sparren
Na een week komt Annie onverwacht bij me langs. Voorzichtig, aarzelend, probeert ze duidelijk te maken, dat ze niet uit was op haar ‘eigen gelijk’ maar het integendeel gewoon heerlijk vindt om, telkens weer, samen met mij te sparren. “Dankzij onze verschillen zet je mij aan het denken!” Ik besef dat bij mij hetzelfde gebeurt. Onverwacht valt mijn blokkade weg. “Jij zet mij óók aan het denken”, beken ik openhartig. Lachend vliegen we elkaar in de armen. Twee dikke vriendinnen. Hoezo een slechte wereld? Op dit moment is de wereld prachtig.  En toch is hij in zichzelf geen spat veranderd.

 

 

Comments are closed.