Al die tanden in mijn nek

Ziektes, ik heb er niks mee. Als iemand in mijn vriendenkring met een vervelende kwaal tobt, moet ik mij er echt toe zetten hem of haar te bellen. Liever heb ik het over alles, behalve over dát.

Tot nu toe dacht ik dat mijn gebrek aan inlevingsvermogen óók een soort ziekte was, die ik nodig moest verhelpen. Ik oefende door te doen alsof en ontpopte mij als een ware expert in het roepen van ach en wee, zodra een bekende ook maar éven piepte of ‘au’ zei. Maar daar ben ik van teruggekomen. Want onlangs was ik ineens zélf slachtoffer van een medische vergissing. En dat heeft mijn weerstand tegen verhalen over ‘ziek zijn’ dubbelop doen toenemen.

Stormloop
‘Oog-operatie mislukt!’ Nog steeds begrijp ik niet hoe het nieuws zo snel om zich heen kon grijpen. Vanaf het moment dat ik één vriend iets verteld had over mijn fysieke pech, stond de telefoon roodgloeiend. Achter mekaar door werd ik door alles en iedereen gebeld, zelfs door mensen die ik in jaren niet gesproken had. En allemaal wilden ze weten wat er gebeurd was, waar het mis was gegaan, hoe ik mij voelde en hoe het nu verder moest. Tegen wil en dank vertelde ik mijn verhaal telkens opnieuw, hoewel ik daar, als notoir optimist, eigenlijk geen zin in had. Maar het moest, meende ik. En ‘het’ sorteerde een uiterst curieus effect: na drie dagen onophoudelijk klagen was ik gedegenereerd tot een vat vol ellende, dat wanhopig en boos genoegdoening eiste; dat in concept al een aanklacht had opgesteld en er zeker-weten voor zou zorgen dat die bruut van een chirurg nooit en te nimmer nog een operatiekamer van binnen zou zien! Iedereen voelde met mij mee, riep dat het een schande was en bedolf mij onder soortgelijke of zelfs nog ergere verhalen. Ja, het leek ineens wel of de hele wereld geregeerd werd door een geheim genootschap van lompe, hebzuchtige medici die in ons geen medemens meer zagen maar hooguit een orgaan, dat op hun vet geprijsde ingrepen lag te wachten.

Paarlen voor de zwijnen
Het ironische was, dat al die steun en bijval mij niet bepaald gelukkiger maakten. Integendeel, het leek wel of vrienden en familie mij ineens óók gereduceerd hadden tot een beklagenswaardig, medisch geval. Alsof mijn, doorgaans toch best aardige en naar ik mij verbeeldde, bij vlagen zelfs wijze karakter er ineens niet meer toe deed! Alsof alles, wat mij exclusief tot  ‘Emma’ had gevormd, paarlen voor de zwijnen waren. Alsof zij zich aan mij laafden als een wrede groep piranha’s, snakkend naar andermans vlees en botten om de eigen honger naar wraak te kunnen stillen.  “Zou dit de symbolische betekenis zijn van verhalen over vampiers?” vroeg ik mij af, “met al die tanden in mijn nek?” Want waarom belden mijn dierbaren juist nu, nu ik kwetsbaar was en weerloos – en nooit eens als ik een prestatie had geleverd? Was mijn zwakheid soms aantrekkelijker dan mijn kracht?
Ineens twijfelde ik hevig aan mijzelf. Ik, die toch al nooit goed in staat was geweest mijn kwetsbaarheid te tonen en die van mijzelf altijd de flinkste, de sterkste en de beste moest zijn. Die altijd het verschil  wilde uitmaken – noem het overlevingsdrang. Hoe kon het dan dat nu, juist nu, mijn omgeving stond te trappelen om mij te koesteren, te troosten en op te waarderen?  Waar had ik dat aan verdiend?

Ik besloot de stekker uit de telefoon te trekken, verdroeg mijn eigen zielige gedrag niet meer. Mailde iedereen dat ik de belangstelling an sich op prijs stelde, maar dat ik het eventjes niet opbracht, hen allen nu te woord te staan.

Mijn oproep werd gerespecteerd. En  het werd dóódstil.
Weer niet goed. Nu voelde ik me alleen, buitengesloten en genegeerd. Nu snakte ik naar een nabij iemand (eigenlijk dacht ik aan ‘een partner’), die mij bij kon staan en tegen wie ik ongegeneerd aan zou kunnen zeuren.

Ontvangen
Waar was ik mee bezig? Wat was er aan de hand? Wat deed ik mijzelf eigenlijk aan? Het antwoord liet niet lang op zich wachten. “Emma”, hoorde ik, stil in bed liggend, “jij kunt niet ontvangen. Jij wil alleen maar bovenaan staan, gever zijn. Dat is geen balans. Waarom gun jij het je vrienden niet, jou óók eens iets te geven? Er komt een moment dat jij, mocht je tijd van leven hebben, misschien wel uitsluitend afhangt van zulke gevers. Ontvang! Oefen maar vast… Of ben je bang voor intimiteit? Jouw ego speelt een veel te grote rol, meisje. Maar jouw vrienden houden juist van dat, wat jullie met elkaar verbindt. En dat is liefde.  Het gaat niet om je grapjes of spitsvondigheden – al zijn die op zich natuurlijk  mooi meegenomen…”

Een overweldigende dankbaarheid steeg in mij op, liggend op mijn eenpersoonsbedje met een snorrende kat aan het voeteneind. Wat een weelde, te beseffen dat zoveel mensen zomaar van mij hielden, zonder dat ik daar speciaal iets voor hoefde te doen! Alleen maar leren hun liefde te ontvangen….

Vanuit dat gevoel van verbondenheid belde ik ze allemaal terug. De reacties waren opnieuw uiterst hartelijk en begripvol. “En, hoe gaat het nu met je oog?” O ja, dat oog…. “Nou, het begint geloof ik toch te genezen!”
En daarna hadden we het over alles, behalve over dát. Want één ding heb ik wel besloten: voortaan vertel ik alleen nog hoopvolle verhalen. Ook aan mijn zieke vrienden. Voor het medisch resultaat maakt het toch niet uit. En daarom juist weer wel.

[Gepubliceerd in Van Hart tot Hart, november 2012, nr. 4]

Comments are closed.