‘Vrijheid begint in je hoofd’

Is hij in zijn geboorteland bijna net zo bekend als president Bouterse; in Nederland kennen Surinamers hem zeker zo goed. En in de Bijlmer met zijn 146 nationaliteiten is hij zelfs ‘wereldberoemd’: Roy Ristie, bij de komende verkiezingen lijsttrekker voor D66 in Amsterdam-Zuidoost. 

  Achtergrond Roy Ristie

Roy: “Aanvankelijk had ik geen politieke ambities; ik laat mij altijd door mijn spirit drijven. En precies zo ben ik drie jaar geleden in de politiek beland: plotseling besefte ik dat dit dé manier was om mijn doelstellingen kracht bij te zetten.
Sindsdien is het snel gegaan. Ik wil mensen op koers zetten, ze aanmoedigen in het uitbaten van hun mogelijkheden. Zij manoeuvreren zich vaak in een ondergeschikte positie en zijn dan te laks of bang om verantwoordelijkheid voor hun eigen leven en welzijn te nemen. Ik vind dat wij, zolang we anderen niet schaden, de morele plicht hebben om onze eigen vrijheid te benutten en die van anderen aan te moedigen – ook al zijn we zelf geen homo of moslim en houden wij toevallig meer van cola dan van bier.” 

Stokpaardje
Communicatie is het stokpaardje van Ristie. Als winnaar van de Amsterdamse mediaprijs kreeg hij te horen: “Roy is in staat, in één klap vele groepen te raken”. Dat is nooit weg in een stadsdeel met 146 nationaliteiten. “Ja, ik krijg veel waardering. Men herkent gevoelsmatig de ‘vrijheid’ die ik bepleit. Maar vrijheid begint in je hoofd.”
Ristie illustreert dit met het voorbeeld van een Indiaan in de rimboe van Suriname, liggend in zijn hangmat. “Hij raakt aan de praat met een passerende Hollander. ‘Heb jij geen werk?’ vraagt die. ‘Nou… zegt de Indiaan, ‘ik heb net een lekker visje gevangen, dus…’ ‘Ja, maar ik bedoel werk’, zegt die Hollander. ‘Als visser bijvoorbeeld. Als je nou wat meer je best doet en tien vissen vangt, dan kan je er negen verkopen. Daarmee verdien je geld en kan je, wie weet, een boot aanschaffen. Dan kan je nóg meer vissen vangen en misschien wel DRIE boten kopen, daarmee de zee opgaan en nog véél grotere vissen vangen. Man, wat een profijt! Want als je die gaat exporteren ben je voor je het weet miljonair!’ ‘Oh’, zegt de Indiaan relaxed, ‘en dan?’ ‘Nou, dan hoef je niet meer te werken en kan je precies doen waar je zin in hebt’. Zegt de Indiaan: ‘maar dat doe ik al!’

Roy vervolgt: “Vanuit het oerwoud is de stad zo goed als onbereikbaar. Toch krijgen mensen daar gewoon kinderen, worden ze ziek en herstellen ze weer. Ze leven 80, 90 jaar en hebben nooit geld of een winkeltje gezien. Trouwens, wat zouden ze daar moeten kopen? Ze hébben alles al. Stel nu, ik woon daar. Ik ga jagen en pluk planten voor de medicijnman. Zo stellen wij onszelf en elkaar in staat,  prettig samen te leven en te werken, af en toe een feestje bouwend met dans, muziek, heerlijk eten en helder water  Maar we hebben géén bank, géén geld of duurzame huizen. En toch voltrekt zich dat, NU, nog steeds.

Tegelijkertijd woekert het materialisme voort. Symbolische waardebonnen (’geld’) nemen steeds vaker de plaats in van dat, waar het wérkelijk om draait: voedsel, natuur, kennis, liefde en gemeenschapszin. Maar zolang die gemeenschap in de (virtuele) waarde van het ‘geld’ blijft geloven,  behouden de bezitters daarvan de macht. Die kopen alles op, en als ze alles eenmaal hebben kunnen ze naar willekeur hun waardebonnen weer devalueren.  Zodat de ander niets meer heeft, en voor hén zal moeten werken.

Nieuwe kolonisatie
Dát is de nieuwe kolonisatie. Zelfs het ‘blauwe goud’ – water, de halsslagader van het leven en voor iedereen bestemd: mens, dier en natuur – zelfs dat is er haast niet meer en wordt verkocht in flesjes. Die doorgeslagen vorm, die het leven totaal ontwricht, daar ben ik bang voor. Het egoïsme om te denken ‘dit is van mij’. We lenen de materie alleen maar van elkaar. ALLES is geleend. En toch zien sommigen zelfs hun medemens als bezit. Wanneer dat gebeurt realiseer ik mij: hier is iets grondig mis!”

‘Wanneer mensen zelfs hun medemens als bezit zien, is er iets grondig mis!’

Eén ding is duidelijk: Roy Ristie past zelf naadloos bij D66, de  jazz-partij van Nederland, wars van dogma’s en ‘pragmatisch improviserend’ wanneer de integriteit dat gebiedt. Maar zelfs bij D66 is hij, naar ik vermoed, zijn tijd alweer vooruit.   

Roy zit er niet mee. “Ik ben altijd tevreden geweest met mijn bestaan, continu werkend aan het doel dat ik voor ogen had. Vader van vier kinderen én een visionair! Ik ben blij en dankbaar dat mij, als man met krullen uit de Bijlmer, een platform is gegund. Maar wat ik in mijn mars heb, hebben velen in hun mars. En dát wil ik er bij zoveel mogelijk mensen uit halen, ten gunste van meer levensgeluk en leefbaarheid. Ja, ik ben een gedreven mens. Met als belangrijkste stelling: gun de ander ook wat. Dat zou de leus van deze tijd moeten zijn.”

[Gepubliceerd in ‘Van Hart tot Hart’, nov. 2013, nr. 4]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Comments are closed.