Vreemdeling

[Mijn maandelijkse column in het blad van Volkstuincomplex De Federatie. Juni 2016]

Gisteren moest ik voor het eerst sinds lange tijd weer aan hem denken: de vreemdeling….  Dat kwam zo. Ruim twee jaar terug had ik in de winter last van een tamelijk hardnekkige PHPD-periode (het ‘Pijntje Hier, Pijntje Daar’-syndroom).  De beste remedie is dan, mij een dag terug te trekken op mijn veilige volkstuin. Kacheltje aan, fluitketeltje op, geen gedoe met vrienden of familie,  geen onwelkome telefoontjes, nee, gewoon RUST, zonder internet en zelfs zonder mobieltje. Op zo’n moment mag ik van mijzelf – doorgaans gezien als een ‘flinke, vrolijke tante’- even een heel andere kant van mijn persoonlijkheid uitleven: die van het zielige vrouwtje vol zelfmedelijden, barstend van de ongerijmde angsten, zich  ondertussen vertwijfeld afvragend hoe lang ze het leven überhaupt nog dragen kan.
Geen mens die daar verder last van heeft. En mij helpt het reuze om, na het botvieren van mijn niets ontziende aanstellerijen, het masker van blijmoedigheid weer op te zetten voor mijn dagelijkse rol in de maatschappij.

Wat is een huis?

“Wat is een huis? De muren? “

Dakloos
Na drie koppen ontspanningsthee  besloot ik een ommetje te maken, en toen kwam ik hem tegen: de vreemdeling. Hij zat op een bankje, niet ver van de hoofdingang van De Federatie af, en volgens mij had ik hem daar al eerder zien rondstruinen.  Iets aan hem deed me spontaan vragen: “mag ik naast u komen zitten?”
“Jaja, jaja.. ”  zei hij relaxed.
“Volgens mij komt u hier wel vaker, hè?”
“Ik wóón hier”.
“Toch niet op De Federatie, of…?”
“Nee hier, op deze plek.”
“Ah, dus u bent dakloos?”
“Zo noemen ze het.”
“U niet dan?”
“Luister! Wat is een huis? De muren? De muren zijn je huis niet. De lucht tússen de muren, dát is je huis. De lucht, tot aan het dak. Dus zonder muren, zonder dak, heb ik het grootste huis van de wereld, hahaha… En iedereen is welkom, hoor!”
Zijn woorden moesten even bezinken. Trots als ik doorgaans ben op mijn evidente bescheidenheid als ‘tuinhuisbewoner’, bleek het nóg bescheidener te kunnen – en tegelijkertijd veel grootser. Op één of andere manier schonk het mij een diepe troost.
Ons korte praatje maakte zoveel indruk op me, dat ik het opstuurde naar de rubriek ‘Opgetekend Gesprek’ van dagblad Trouw. Die het verslag prompt publiceerde.
Ik wou het de man nog vertellen, maar heb hem nooit terug gezien.
En toen kwam gisteren ineens dat mailtje binnen. Van een dame die schreef: “een vriend van ons heeft op basis van uw stukje over die zwerver een prachtig, heel ontroerend lied gecomponeerd. En hij is architect!  Volgende week vindt de opname plaats en dan sturen we u het resultaat graag toe!”
De deadline van dit blad viel eerder dan de opname, maar ik ben heel benieuwd. Zal iederéén straks ‘uit zijn dak’ gaan?

Lucht

“Ik heb het grootste huis ter wereld!”

Comments are closed.