Soldaat niveau 4: verpleegkundige opleiding bij Defensie

Het lijkt een paradox: kiezen voor de krijgsmacht en dan een verpleegkundige opleiding doen. Als rechtgeaard militair moet je immers bereid zijn te doden, terwijl een verpleegkundige juist levens tracht te redden. Toch hebben inmiddels zo’n 300 defensie-medewerkers ter land, ter zee en in de lucht hiervoor gekozen. Blijven zij in het leger of komen zij straks ook in het ziekenhuis werken?

“Dit worden de goudhaantjes van de civiele markt!”

Over een jaar studeren de eerste algemeen militair verpleegkundigen af. Dan mogen zij zich, zonder hun eed op het militair vaandel te verloochenen, ‘gediplomeerd verpleegkundige niveau 4’ noemen. Wettelijk erkend en inclusief een groot aantal extra deelkwalificaties. “Dit worden de goudhaantjes van de civiele markt”, voorspelt hun coördinator.
Ference Hutjens (27) was één van de eersten die in zijn hoedanigheid als sergeant bij de landmacht besloot, de verpleegkundige opleiding te volgen. Hoewel, het woord ‘besloot’ lijkt in dit verband wat ruim geïnterpreteerd. “Eigenlijk is het me opgedrongen”, zegt Hutjens. “Ik wilde geneeskundig verzorger worden via een korte cursus van een half jaar. Maar net in die periode bleek de krijgsmacht van start te gaan met een eigen opleiding voor algemeen militair verpleegkundigen. (amv), een beroepsvorming die voldeed aan dezelfde criteria als die van de civiele sector. En dus zat ik ineens vast aan een investering van vier jaar!”

BIG-wet
Niet alleen de BIG-wet (die nieuwe vormen van onderwijs noodzakelijk maakt) was aanleiding voor deze ingrijpende verandering. Ook het feit dat we tegenwoordig te maken hebben met een beroepsleger speelde een rol. De krijgsmacht kan niet langer leunen op de vanzelfsprekende, jaarlijkse instroom van nieuwe dienstplichtigen, maar moet haar manschappen rekruteren uit de bakken van de banenwinkels – en dus zo aantrekkelijk mogelijk zijn. Daar is geld voor uitgetrokken; veel geld. Bovendien heeft politiek Den Haag met het oog op de closer wordende Europese Gemeenschap de wens geuit, dat bij uitzending naar het buitenland het niveau van de geneeskundige diensten der krijgsmacht net zo hoog moet zijn als in de rest van Nederland.
Achteraf is sergeant annex leerling-verpleegkundige Hutjens blij met deze samenloop van omstandigheden, ondanks alle startproblemen die nu eenmaal inherent zijn aan een dergelijk pilot project.  Blij, ondanks alle extra strubbelingen die ontstonden door het feit dat Landmacht, Luchtmacht en Marine voor het eerst in de geschiedenis samen in één klas zaten – letterlijk nog wel! Een uniek fenomeen dat onvermijdelijk leidde tot de nodige schermutselingen over rangen, standen en omgangsnormen binnen deze drie totaal verschillende culturen, gesymboliseerd door het Landmacht-groen, Luchtmacht-grijs en Marine-blauw. Want gemoderniseerd of niet, het leger is en blijft gebaseerd op hiërarchische verhoudingen. “Nu is de sfeer goed, maar in het begin wilde iedereen elkaar de loef afsteken”.

Even wennen
Hoewel de opleidingseisen voor een algemeen militair verpleegkundige inmiddels dus gelijk zijn aan die van de burgermaatschappij, blijft er sprake van essentiële verschillen. “In meerdere opzichten”, benadrukt Leo Steenbakkers (53), civiel coördinator Verpleegkunde. Samen met collega Aart Engeltjes (stage-coördinator annex docent Verpleegkunde) kwam hij twee jaar geleden vanuit het ROC-Eindhoven naar de kazerne in Hilversum, om daar als civiel pionier de opleiding op poten te zetten. Beiden erkennen dat het aanvankelijk zacht gezegd even wennen was. En niet alleen omdat zij, als civiel onderwijskundigen, een regelrechte bedreiging vormden voor de militaire instructeurs die tot dan toe de manschappen van de geneeskundige dienst hun praktijkkennis hadden bijgebracht. Steenbakkers: “Eén van hen kwam naar me toe en zei: “Hoezo minimaal Mavo-D? Weet je wat mijn mannen voor vooropleiding hadden? Twee danslessen en één keer naar de hoeren!”
Kortom, Engeltjes en hij betraden een wereld van verschil qua mentaliteit, leeftijd, aanpak, organisatie, concurrentiestrijd, lesroosters en omgangsvormen, om maar een kleine greep te doen. Binnen zo’n kakofonie aan tegenstrijdige geluiden moet de sensatie om als docent ‘jouw’ klas na het ochtendappèl keurig in uniform, ruimschoots op tijd en pelotonsgewijs het lokaal te zien binnenmarcheren een weldadige ervaring zijn. Engeltjes: “Al zul je het in een dergelijke setting natuurlijk niet wagen om zélf een minuut te laat te komen: dan heb je, van je eigen leerlingen, zo een klacht aan je broek”.

Vijf stages
Ten aanzien van de verpleegkundige stages bestond aanvankelijk een heimelijk punt van zorg, erkennen de twee coördinatoren. In totaal moet elke leerling vijf stages doorlopen, waarvan de eerste (basiszorg) altijd in een verpleeghuis. Daarnaast brengen zij tien weken door in een psychiatrische zorgsetting en de overige drie stages in een algemeen dan wel academisch ziekenhuis. Hoe zouden de militairen het er van afbrengen? Steenbakkers: “Van de eerste 82 stagiaires bleek slechts één man een onvoldoende te hebben. Over het algemeen reageerden begeleiders en patiënten zeer positief”.
Leerling-verpleegkundige Hutjens herinnert zich dat bij zijn eigen eerste aantreden  als stagiair de omgeving wel even de kat uit de boom keek. “Men was nieuwsgierig en verwachtte heimelijk een zekere lompheid van ons als militairen. Dat bleek reuze mee te vallen. Sterker nog, onze openheid en directheid –typerend voor het leger- werden als positief en bevrijdend ervaren. ‘Jullie mauwen tenminste niet zo’, zeiden ze”.
“Onderoffiieren”, betoogt Hutjens verder, “hebben nog het bijkomend voordeel dat ze veel over management weten. Organiseren, leiding geven… daar doe je ook in het ziekenhuis je voordeel mee”.
“Deze verpleegkundigen worden straks de goudhaantjes van de civiele markt!” bezweert Steenbakkers enthousiast. “De krijgsmacht hoopt ze natuurlijk voor Defensie te behouden, maar een deel zal te zijner tijd wel uitstromen. Ook degenen echter die het leger trouw blijven, zullen straks regelmatig naar de civiele praktijk terugkeren om hun praktische kennis op peil te houden. Reken maar dat ze daar welkom zijn!”
Hoe hoog tegen die tijd het salaris zal zijn, is vooralsnog niet duidelijk: de eerste lichting leerlingen studeert pas in 2001 af. In elk geval krijgen de militairen tijdens hun opleiding gewoon een salaris doorbetaald, afgestemd op hun rang. “In dat opzicht zijn ze beter af dan leerling-verpleegkundigen in de burgermaatschappij”, zegt Stenbakkers. “En als ze voor een stage op kamers moeten, betaalt Defensie dat ook”. “Sterker nog”, valt Hutjens in, “als het eten van de hospita niet bevalt, mogen we ons beklagen!”

Veel opgestoken
De krijgsmacht zorgt goed voor haar mensen, dat mag volgens de geïnterviewden duidelijk zijn. Alle startperikelen ten spijt, vat Hutjens de eerste helft van zijn vierjarige studie desgevraagd samen als leerzaam en leuk. “Ik heb ontzettend veel opgestoken, ook op persoonlijk vlak. De interactie tussen mij en andere mensen is sterk verbeterd. En mijn aanvankelijke remmingen ten aanzien van psychiatrische patiënten en geestelijk of lichamelijk gehandicapten ben ik ook helemaal kwijt. Bovendien: je hebt straks dat papiertje! Als hospik zou ik buiten het leger nergens terecht kunnen. Maar met mijn diploma op zak kan ik desgewenst ook voor een civiele carrière kiezen. Mits je je lopende contract maar uitdient; telkens een blok van zes jaar”.
Of hij ooit zal vertrekken is echter nog de vraag. “Mijn vriendin werkt hier ook – die heb ik in de klas leren kennen. En sinds ik niet langer schutter op de tank ben, heeft mijn vader ook vrede met mijn militaire loopbaan. Overal bazuint hij het rond: ‘Mijn zoon studeert verpleegkunde’. Tja, daarmee scoor je wel!”

[Verpleegkunde Nieuws, 27-07-2000]

Comments are closed.