Het libido van de journalist

Het valt me in de discussies over ’de toekomst van de journalistiek’ telkens weer op, dat deze voornamelijk over de vorm gaan, en slechts zijdelings of in tweede instantie over de inhoud.

Natuurlijk, het digitale tijdperk vereist ingrijpende aanpassingen. Dat begon al in de vroege jaren ’80 met het inleveren van onze typemachines ten faveure van logge computers.  Wat mij betreft een waar rouwproces, waarbij het mij éven  toescheen, of ik ineens niet meer kon schrijven – net als toen ik met roken was gestopt.

In ons bedrijf was niet genoeg geld of animo om, naast de aanschaf van die nieuwe pc’s, ook nog te investeren in een introductielesje voor het personeel. Zodat ik pas na pakweg drie maanden doorkreeg, dat je bij het corrigeren van je teksten niet alles opnieuw hoefde in te tikken maar dat je ook kon knippen en plakken! Dat klinkt nu vreselijk stom, maar als niemand je op de hoogte brengt van het bestaan van een bepaald fenomeen, heb je geen referentiekader en kan je daar dus ook niet op inspelen. Zoiets als die Afrikaan op dat plaatje met een kinderwagen op zijn hoofd.

Overduidelijk is ook, dat de oude garde zich moeilijker aanpast dan de jeugd met haar frisse élan. Maar zouden we al die journalisten, die niet snel genoeg met hun tijd meegaan, om deze reden afschrijven, dan gooien we het kind met het badwater weg. Want van hun inhoudelijke kennis, principes, aanpak, wijsheid én digitaal-arme ‘levensschwung’ kunnen de generaties van nu nog heel wat opsteken. Bovendien hebben die ouwe rotten in het vak niet helemaal ongelijk, als ze sputteren tegen het feit dat de berichtgeving  tegenwoordig alsmaar korter, sneller en ‘tjilperiger’ wordt. Hap snap – weg. Nu al gaan er stemmen op die benadrukken dat de ‘nieuwe, professionele’ journalistiek het ondanks alle digitaliteit vooral zal moeten hebben van meer diepgang, meer achtergrondinformatie en vooral ook: de duiding van het nieuws.

De kern
Maar pardon!? Is journalistiek in de kern ooit iets anders geweest dan dat?  Natuurlijk heb je altijd de ‘vullertjes’ gehad, en hangen onderwerp & stijl nauw samen. Het zou verspilling van energie én materiaal zijn om breed uit te weiden over issues die er feitelijk niet toe doen. Hoewel de ‘moderne’ journalistiek zich ironisch genoeg juist daar veelvuldig schuldig aan maakt:
 Voorpaginanieuws: ‘De dresscode van  Ali B’.
Onthulling: ‘Doet C het met D? Zie pagina 3 t/m 30!’

Dood in de gang
Binnen de marges van ‘het korte bericht’ kun je veel nieuwsfeiten in drie regels afdoen: Moord in Lutjebroek;  Ongeval op de A3. Dat was zo en dat is zo. Die nieuwtjes, opgevist uit de waan van de dag, zijn net zo snel vergeten als geschreven, want niet relevant voor de maatschappij als geheel – zolang het althans gaat om incidentele feitjes. Het wordt andere koek als het de minister-president is die dood in de gang ligt, of als er iedere wéék een ongeval op de A3 plaatsvindt. Een alerte journalist houdt dat in de gaten. 

Denken aankomend journalisten überhaupt systematisch over dit soort relevanties na? Of vullen ze, in opdracht of op eigen voorstel,  de ruimte die ze voor hun topics krijgen vrij klakkeloos in?

Mijn voorstel is: introduceer een intensieve uitwisseling tussen de nieuwe en de oude journalistieke garde. Qua inzichten én qua uitvoering kunnen die twee veel van elkaar opsteken. En een feestelijk treffen tussen zulke mensen, die hun rol van ‘voortrekkers in de maatschappij’ als een ware passie beleven – ja, die hun vak zien als de kern van hun libido, kan dan alleen maar uitlopen op een helderder blik op de maatschappij en een perpetuum mobile van zinnige en dus feestelijke reflectie.

By the way: jonge freelance journalisten die lid zijn van de FLA (de FreeLancers Associatie voor ondernemende journalisten) kunnen structureel een beroep doen op de kennis van  oudere collega’s  voor zo’n vruchtbare kruisbestuiving.

Comments are closed.