Het nut van meelopen

[Eind augustus 2013 geplaatst in het blad van de Federatie voor Amsterdamse Amateurtuinders] 

In het vorige nummer schreef Emma Veenstra onder de titel ‘Het nut van commissies’ (zie elders onder Columns-EV) over een boete, haar opgelegd door de nieuwe tuincommissie, die strenger blijkt dan de vorige. Maar is zij ook rechtvaardiger? Een nader onderzoek.

Ongelooflijk, hoeveel reacties ik kreeg op mijn laatste stukje – zelfs van mensen die ik nooit eerder had ontmoet. Veel vergelijkbare verhalen. En ook een reactie van de commissie zelf (Peter, André en Meggie): een schriftelijke uitnodiging om een keertje mee te lopen, opdat ik de controles via hún ogen kon beleven. Daar zei ik geen nee op – al was het maar uit nieuwsgierigheid naar al die tuinen, die normaal gesproken achter hoge heggen verborgen blijven.

Vier man sterk gaan we op pad. Ik krijg een notitieblokje in de hand gedrukt, zodat ik als een echte ‘professional’ méé de tuinen in kan lopen en persoonlijk mag noteren wat er allemaal niet deugt.

Het moet gezegd: ik word er wijzer van, in meerdere opzichten. Dat er even zoveel stijlen als tuinen zijn, had ik natuurlijk al begrepen. En dat onkruid welig tiert als tuineigenaren zich een heel seizoen niet vertonen en dus evenmin reageren op briefjes en boetes, dat snap ik ook.
Maar wat ik bijvoorbeeld niet wist, is dat je de grond achter je schoeiing gewoon vol mag zetten met bloemen! Ik meende altijd, dat je die strook vrij van groen moest houden en hooguit aan mocht stampen met haksel. “Welnee”,  zegt Peter, hovenier van huis uit, “het gaat erom dat de brandweer er in geval van nood doorheen kan –dus geen obstakels en maximaal 20 cm hoog.”
In een toekomstvisioen zie ik de bloemenzee van komend jaar al voor me. Afrikaantjes! Oost indische kers! Kan ik meteen het anti-worteldoek verwijderen dat ik, om mijzelf te sparen, altijd onder het haksel leg. Want dat blijkt juist weer niet te mogen. Peter: “Dit jaar was er zelfs een tuinder die kunstgras had gelegd. Dus als we dáár aan beginnen…”

Hof van Eden

Als voorbeeld van hoe het óók kan laat Meggie mij een tuin zien, die normaal aan het zicht onttrokken wordt door de hoge, dichte heg – gevolg van het voormalige gedoogbeleid. Binnen leidt zij mij door een verstild Hof van Eden: een sfeervol huisje met Japanse waranda, dat uitkijkt op een strak onderhouden tuin vol prachtige boompjes en struiken, omringd door grind. “Ja, eigenlijk mag dat grind natuurlijk niet, maar dit is zó prachtig aangelegd…”

We arriveren bij de tuin van een kennisje, dat liever de natuur zelf als leidraad voor haar inrichting neemt. Ineens geneer ik mij: hoe we haar, vier man sterk, als het ware overrompelen, zonder luide waarschuwing vooraf. Gelukkig hebben we nog niemand naakt of op het toilet aangetroffen.
Het kennisje kijkt ietwat verbaasd naar mijn potlood en papier. “Eeh… ik loop een dagje mee”,  verklaar ik bedremmeld, alsof ik betrapt word op ‘heulen met de vijand’. Want zo voelt het ineens  – een teken aan de wand?
Feit is, dat er onmiskenbaar irritaties zijn ontstaan tussen tuinders en nieuwe commissie. En dat die wrijving vooral voortkomt uit onduidelijkheden. Waarom wel een tuin met grind gedogen omdat-ie zo mooi is, maar je strak achter het reglement verschuilen als iemand een briefje heeft gemist vanwege een vakantie? Waarom plotseling eisen dat er een randje aarde tussen heg en gras verschijnt, zonder dat hierover iets terug is te vinden in het verafgode statuut?

Ik begrijp de tolerantie, om bij een prachtige hortus dingetjes door de vingers te zien. Waardeer het zelfs! Maar waarom dan niet bij tuinen die van een andere smaak getuigen? Die onduidelijkheid komt volgens mij over als ‘meten met twee maten’ en dát kweekt onbedoelde verdeeldheid.

Misverstanden ophelderen
Kunnen we nu alle misverstanden definitief ophelderen? “Daar is de jaarvergadering voor”, stelt Peter nuchter vast. “Maar veel vragen rijzen pas op in de loop van het seizoen”, werp ik tegen, “vaak naar aanleiding van jullie briefjes”. “Nou, wij zijn iedere zaterdagochtend bij het gereedschappenhok aanspreekbaar”, zegt Peter. Ik weer:  “Is het dan misschien een idee, dat onderaan jullie briefjes te vermelden?” Meggie vindt het wel een goede suggestie, Peter is minder enthousiast. “Het zijn toch zeker geen kinderen?” roept hij, “je moet het ze ook niet ál te gemakkelijk maken!”
“Juist wél!” zeg ik fel. En met ternauwernood verhulde trots laat ik weten dat ik ‘uit de PR-wereld’ kom en ‘dus’ zeker weet dat je voor succesvolle communicatie nooit helder genoeg kan zijn. “Leid de mensen bij wijze van spreken aan het handje”, illustreer ik mijn stelling. Peter schudt zijn hoofd. Vrouwen! En ineens zie ik ons daar samen staan. Allebei vervuld van de beste bedoelingen. Maar ook allebei met onze eigen, totaal verschillende gedachte- en verwachtingspatronen – net mensen! Wat voor  de commissieleden gesneden koek is,  is voor mij veelal een raadsel. Wat ik daarentegen als ‘logisch’ zie, is voor Peter slappe hap. Volgens hem kweek je met overdreven behulpzaamheid alleen maar méér gedoe. Patstelling. Alleen te doorbreken met een andere stelling: streng mag, rechtvaardig moet.

Onze droom
Eén ding staat vast. Een enkele onverlaat daargelaten, doen de meeste tuinders hun best er ‘naar vermogen’ iets van te maken. Dat vermogen verschilt uiteraard per persoon. Maar we hebben één ding met elkaar gemeen: de liefde voor de natuur, het simpele leven op ons tuinencomplex en de droom van een eigen paradijsje – ook al blijft dat in de uitvoering nogal eens steken in onze eeuwige strijd tegen onkruid, slakken en Hollands getij.

Communiceren betekent niet dat je het steeds met elkaar eens bent 

Het zou zonde zijn als we, gemotiveerd door dezelfde droom, elkaar gaan bestrijden en vergeten, de nadruk te leggen op dat wat ons bindt. Communiceren betekent niet dat je het steeds met elkaar eens bent – dat zou één van de twee overbodig maken. Het gaat er om van elkaar te leren, en dat lukt alleen vanuit aanvaarding en wederzijds respect. Oké oké, de beste stuurlui staan aan wal. Maar toch: mislukt dat, dan blijven we zitten met een commissie die zich niet op waarde geschat voelt, alle oprechte inspanningen die zij zich getroost ten spijt. Tegelijk eindigen wij tuinders met een ‘big brother’-complex, waarbij we wekelijks bang in de brievenbus kijken, niet wetend wat ons wacht, of hoe we boetes kunnen voorkómen. Zo’n beetje als die man, die jaarlijks zijn tuin vol blauw poeder strooide ‘tegen de olifanten’. “Maar hier komen toch helemaal geen olifanten?” vroeg zijn buurjongen verbaasd. “Nee”, peinsde de man, “dus ik denk dat dit spul wel werkt…”

 

Comments are closed.