God als laatste redmiddel

“Dan zal ik voor je bidden”, was het laatste wat hij zei voor hij het telefoongesprek beëindigde. Beleefd kon ik nog net uitbrengen “dank je”, maar van binnen kookte ik. “Je doet je best maar, klootzak!” stoomde het in mijn hoofd. 

En daar had ik alle reden toe, vond ik zelf. Want Glenn, deze Mister Prayer, had mij in niet mis te verstane woorden laten merken hoe boos en diep teleurgesteld hij in mij was. Daarom kwam zijn gebedsintentie eerder over als een laatste, venijnige klap dan als een heilige, welgemeende Boodschap.

Kort daarvoor waren we elkaar tegen gekomen bij het Kwaku zomerfestival in de Bijlmer, waar we salsa hadden gedanst. De bewegingen bleken soepel samen te vallen, waarop hij, long black man, aan mij, blonde Hollandse, had voorgesteld de week daarop iets samen te gaan drinken. ‘Koffie’ noemde hij het netjes. Strategie van de onschuld.

We spraken af op woensdag, onder de metrohalte van eindpunt Gein. Maar wie er kwam opdagen, geen Glenn. Geen probleem wat mij betreft. Sinds de breuk met mijn Ghanese echtgenoot die, als hij zei “ik kom eraan”, soms nog twee dagen onderweg was, geef ik iedereen nog maximaal een kwartier om een afspraak na te komen. Is die wachttijd vergeefs doorgebracht, dan trek ik mijn eigen plan. Zo vermijd ik voor mezelf de rol van ‘slachtoffer’ en hoef ik ook niemand iets te verwijten. Opgewekt zond ik een sms’je naar Glenn, waarin ik mij vriendelijk afmeldde. No hard feelings. Ik ging gewoon lekker wandelen in het nabijgelegen bos.

Nu niet, nooit niet
Een half uur later belde hij terug. Eerst nog bezorgd/beleefd met de vraag “waar zit je?” maar toen duidelijk werd dat ik die dag niet meer op afroep beschikbaar was, koos hij voor een andere strategie: die van de argumentatie. “Ik was mijn mobieltje thuis vergeten”; “Ik heb speciaal voor jou tijd vrijgemaakt”, “Nu niet? Dan nooit niet!”
Ook goed, liet ik weten.

Zijn overtuigingsdrift sorteerde geen effect. Voor hem kennelijk het signaal om over te gaan op een andere aanpak: het zware geschut van oordeel en beschuldiging. Belachelijk vond hij mijn besluit. En onbeschoft ook, om niet op hem te blijven wachten. Ik was veranderd in zijn ogen, verbijsterend sterk veranderd, zó kende hij mij niet (kende hij mij dan überhaupt? Vooralsnog was er alleen het plaatje van een salsa dansende vrouw). En hoe ik het in mijn hoofd haalde om…
Tijd om in te grijpen. “Sorry Glenn, argumenten en dreigementen hebben geen invloed op mijn besluit”. Trouwens, bij nader inzien had ik sowieso geen zin meer om nog iets met hem af te spreken. De signalen die hij afgaf waren in mijn ogen niet bepaald aantrekkelijk. “Hoe bedoel je?” “Nou, het doordrammen hè? En het gebrek aan respect voor mijn keuzes. En het beschuldigen. Daar houd ik eerlijk gezegd niet zo van.”

Levensgevaarlijk
Toegegeven: het sarcasme droop eraf. Maar Glenn concludeerde alleen dat ik dom was. Omdat ik, in zijn ogen, ‘levensgevaarlijke risico’s’ genomen had door zomaar, in het wilde weg, mijn visitekaartje af te geven. Aan hem? Nee, in het algemeen. ‘t Was dat hij toevallig zo’n nette jongen was, maar anders had ik nu vast zwaar in de problemen gezeten. Problemen, hoezo? “Nou, ik weet nu toch waar je woont?”
Het maakte me niet bang genoeg om alsnog met hem af te spreken. “Als journalist is het afgeven van visitekaartjes een standaard bedrijfsrisico”, zei ik droog.

En toen kwam God er bij. Ineens liet Glenn weten dat hij een zeer godvruchtig man was. Elke zondag  kon je hem in de kerk vinden  – kennelijk hét bewijs dat aan hem geen moeite verloren zou gaan. “God is liefde!” Met de tien geboden op zak was het in zijn ogen hooguit een kwestie van tijd om nader tot elkaar te komen – mits we elkaar die tijd maar gunden.

Melk en suiker
De kop koffie kreeg ineens een heel ander smaakje. Alsof, nu God er bij betrokken werd, die zwarte boontjes Glenn het recht gaven mij te claimen voor heel wat méér dan wat er aan melk en suiker in zou gaan.
“Ik ben een eerlijke man”, verduidelijkte hij dwingend. Het deed me denken aan die Turkse monteur, ooit bij mij thuis voor een lekkage in de zolderkamer, die ik destijds vanwege een hoge tandarts-rekening even verhuurde aan een Egyptische student. “U boft”, zei de monteur, “dit is een goeie jongen.” “Hoe weet u dat?” vroeg ik nieuwsgierig.  “Nou, ik zie zijn bid-kleedje liggen!”
Het klonk geruststellend. Maar toen mijn tijdelijke huisgenoot weer vertrok, was mét hem ook mijn map Japanse litho’s verdwenen, die ik als ‘appeltje voor de dorst’ op zolder had bewaard. 

“Jawel, jawel, jawél!” riep Glenn ondertussen door de telefoon. “Want God ….” Ik had hem gezegd dat een duurzame kerkgang mij niet speciaal aan-, laat staan over de streep trok. Nu begon zijn stem te trillen van machteloosheid, te sidderen van verontwaardiging. Het schuim op de bek verzon ik erbij. Dat gaf me net genoeg moed om te melden: “Ik beëindig dit gesprek”. En toen zei hij het: “dan zal ik voor je bidden.” God als laatste redmiddel voor een gekrenkt ego.                                  Emma Veenstra 

                         

 

 

 

 

Comments are closed.