Die slavernij is zo lang nog niet geleden

Interview van Sara Polak met Emma Veenstra.  

Emma Veenstra woont in Amsterdam Zuidoost en is actief als vrijwilligster bij de Dialoog. Ze leidt dialogen en heeft daardoor veel gesprekken gevoerd met nazaten over de erfenis van het Nederlandse slavernijverleden. Daarnaast heeft ze twee zoons van een Surinaamse man.

Foto: Faidra van der Wal

“Ik heb mijn kinderen niet opgevoed met het idee dat ze gediscrimineerd worden, maar juist met het idee dat dat het laatste is waar je aan moet denken. Maar het gebeurt wel. Het zijn heel kleine dingen want officieel bestaat discriminatie bijna niet in Nederland, het gaat heel subtiel. In hun pubertijd speelden mijn kinderen veel buiten met vrienden, dan hingen ze rond om de school hier, en dan kwam er politie langs en moesten ze weg. Dan werd altijd de naam van de donkere jongetjes gevraagd. Als je tien keer bent weggestuurd, dan hoor je tot de harde kern van de jeugd. Dus zodra er iets aan de hand is, is zo’n kind ook een potentiële verdachte. Mijn kind is regelmatig opgepakt om niks. Dan ging ik hem ophalen. Kwam er een agent met mijn zoon door de gang aangelopen, en die liep mij straal voorbij. Ze kunnen zich niet voorstellen dat een blanke vrouw een donker allochtoon uitziend kind kan krijgen – in deze tijd, in Amsterdam Zuidoost.

Toen de oudste werd geboren woonde ik in Zwanenburg. Ik reed met hem in zo’n buggy, zegt een mevrouw: “Oh, wat een schatje! Waar komt die vandaan?” Ik zei: “uit mijn buik”. – “Oh sorry!” Ik moest er destijds vreselijk om lachen; ze ging er klakkeloos van uit dat het een geadopteerd kind was.

Het gaat eigenlijk om dingen waar mensen zich niet eens bewust van zijn. Gloria Wekker, een Surinaamse antropologe, heeft eens gezegd in een interview over discriminatie in Nederland: “Nederlanders hebben onbewust het vanzelfsprekende gevoel dat de beste banen voor hen zijn. Ze gaan er gewoon van uit, ze staan er niet bij stil”.

De vader van mijn kinderen was een échte Surinaamse man, als je dat mag generaliseren. Ik had geen idee wat hij allemaal uitspookte, dat heb ik pas later gemerkt. Hij had twee werelden, de echte wereld en de wereld die hij fantaseerde – een dubbelleven. Ik was heel naïef en jong en ik ben, denk ik, altijd met wishful thinking bezig geweest. Pas later heb ik begrepen dat ik nog niet toe was aan het zien van de realiteit. Dat heeft me denk ik achteraf ook gered.

Het was uiteindelijk mijn keus om uit elkaar te gaan. Daar heb ik nooit spijt van gehad – het was een opluchting. Maar ik heb hem gesmeekt, zijn kinderen te blijven zien. Nigel, de jongste, was pas twee weken oud toen hij wegging. We hebben hem nooit meer teruggezien. Ik begreep het niet want hij was dol op kinderen en dol op Kayo, de oudste. Ik denk dat hij gewoon niet kon verkroppen dat die relatie met mij stuk ging, en dat dat zijn ego zo gekwetst heeft dat hij de relatie met de kinderen ook niet meer aankon. Ik heb bewust nooit geroddeld over hem, ook niet tegen de kinderen. Ik dacht altijd: er komt een dag dat ze hem zelf ontmoeten en dan moeten zij voor zichzelf uitmaken wat ze van hem vinden. Maar hij is jong overleden. Ik denk regelmatig: wat heeft die man een boel gemist. Twee van zulke fantastische kinderen.

Ik heb daardoor eigenlijk zonder het doelbewust te willen, de rol van een Creoolse Surinaamse moeder gekregen. Ik heb het allemaal gered, zonder alimentatie. Achteraf bekeken snap ik ook niet hoe ik het heb gedaan, maar het is het helemaal waard geweest. Mijn kinderen hebben altijd op een centrale plaats gestaan, hoewel ik ook in mijn werk ambitieus was. Nu waarderen ze het en ik heb een fijne relatie met ze.

Wat ik bitter vind is dat de Tweede Wereldoorlog nu al meer dan 60 jaar wordt herdacht. De oorlog was natuurlijk heel erg, maar die heeft vijf jaar geduurd en de slavernij bijna 300 jaar. Dus generaties lang, van vader op zoon, moeder en kind, in slavernij geboren, zonder enig perspectief op verbetering. Ik denk dat dit de Creools-Surinaamse cultuur heel sterk heeft bepaald. Bijvoorbeeld ook het gedrag van mannen. Een Surinaamse cabaretière, Jetty Mathurin, zei ooit chargerend: “Het zijn dékhengsten!”, maar het zijn volgens mij dingen die verklaarbaar zijn uit het verleden. Als je vrouw kan worden verkocht of verkracht door de baas, als je kinderen kunnen worden doorverkocht of je wordt zelf verhandeld, dan heb je geen enkele veilige basis. Een ander beschikt over jou, mentaal en fysiek. Ik kan me voorstellen dat je je dan indekt, dat je het niet alleen bij die ene houdt, want als die wegvalt, valt alles weg.

In de slavernij werden gezinnen versplinterd, dus een echt gezinsleven hebben de mensen in die tijd niet gekend. De vader van mijn kinderen kende ook zijn vader niet. Zijn moeder heeft één keer op straat naar een man gewezen en zei: “dat is je vader”. Het kost gewoon generaties om daar vanaf te komen. De slavernij is zo lang nog niet geleden. Een paar generaties.

Je bent een onderdeel van een groter geheel. Je hebt niet alles te bepalen. Ik denk dat cultuur, je geschiedenis, in dat opzicht een enorme impact heeft. Een opmerking van een Surinaamse vrouw zette me aan het denken. Zij had van haar moeder geleerd: de blanken hebben je ziel. Als je zo 300 jaar lang, van generatie op generatie, zelf niets in te brengen hebt omdat je weet dat jouw eigenaar beschikt en beslist, dat heeft natuurlijk emotioneel en gevoelsmatig een enorme invloed op je.

Tijdens een Socratische dialoog waarbij ik gespreksleider was zei een Surinaamse met wie ik aan tafel zat: “Ik vind het zo erg dat de overheid zegt dat de integratie mislukt is. Ben ik mislukt?” Iemand anders zei: “Hoezo integreren, ik wil helemaal niet integreren, ik respecteer de wetten, dus waarom zou ik moeten integreren?” Dat was voor mij een eyeopener want ja, zou ik zelf mijn afkomst verloochenen als ik mij ergens anders gevestigd had? Zolang ik de wetten respecteer… Toen hij merkte dat ik het met hem eens was, ontstond er ineens verbroedering. Het ijs brak, zo geweldig! In het begin had dezelfde man gezegd: “Waarom moet zij, een blanke, nu weer de voorzitter zijn?”Toen legde ik eerst nog heel pragmatisch uit dat ik was ingegaan op een uitnodiging wie wilde voorzitten. Hij reageerde: “Wij hebben geen uitnodiging gehad!”
Ik zit niet op mijn ponteneur – ik hoef niet speciaal voorzitter te zijn, dus ik gaf de instructies die ik had gekregen aan hem. Ik dacht als hij dat wil, heb ik geen probleem. Ik ben zelf ook vaak deelnemer in plaats van gespreksleider. Dat was misschien al een daad waardoor hij zich erkend voelde. Uieindelijk hoefe hij geen voorzitter te zijn, hij zei “laat maar zitten” en aan het eind van de avond zei hij, dat ik de beste voorzitter was. Toen voelde ik me door hém erkend.

Dat erkennende zit echt in de Socratische dialogen: de methode van doorvragen, luisteren, niet in discussie treden. Het is een mooie manier om over de pijn van het slavernijverleden te praten. Verhalen vertellen kan tot verbinding en begrip leiden omdat andere mensen het dan kunnen herkennen. Nelson Mandela deed dat ook: hij bracht slachtoffer en daders bij elkaar. Dan kunnen de slachtoffers hun verhaal doen. Dat leidt tot vergeving en verbroedering. Het slachtoffer voelt zich erkend in zijn verhaal en verdriet en dat heelt. Soms hoef je ook de daadwerkelijke dader niet te spreken. Als er een persoon is die de dader representeert, dan kan iemand zijn pijn kwijt. Over het slavernijverleden kan je ook niet meer met de daders praten. Natuurlijk zijn niet alle Hollanders van nu schuldigen. Maar onbewust eigenen veel Hollanders zich toch een vanzelfsprekende meerwaarde toe.

Het slavernijverleden wordt vaak gebagatelliseerd en dat doet pijn, zeggen Surinaamse vrienden. Sinds een jaar of tien herdenken we het slavernijverleden. Er was eerst niets, maar nu groeit dat langzaam. Sommige Hollanders zeggen: “Waarom moet dat nu nog zo nodig, na al die tijd?” Ik denk dat je pas over je pijn kunt praten als je er niet meer van instort. En beseft dat ook jij bestaansrecht hebt. Als je zo lang onderdrukt bent geweest kost het tijd om dat besef te ontwikkelen. Zoals een kind, dat zonder liefde is opgegroeid, minderwaardigheidscomplexen krijgt. Dat durft ook pas later, als het ‘vrij’ is, voor zichzelf op te komen en te zeggen: “ik mag er zijn, net zo goed als de rest!” Pas als dat zelfvertrouwen er is, durf je jezelf ook het recht op erkenning toe te eigenen.”

Dit interview is verschenen in ‘Meerstemmig Verleden, Persoonlijke verhalen over het Nederlandse slavernijverleden’ door Paul Knevel, Sara Polak en Sara Tilstra (red.).
KIT Publishers, Amsterdam 2011, ISBN 978-94-6022-173-6.

 

 

Comments are closed.