Condoom

Ik sta bij een benzinepomp in de rij om af te rekenen, als de man die aan de beurt is vraagt: “Verkoopt u  condooms?”

Hij is groot, jong, sterk en prikkelend om te zien. “Nee”, zegt de cassière schutterig, “die  hebben we hier niet.”
In gedachten leef ik met de jongen mee; wat zal-ie balen! Want als je zin hebt en je moet eerst nog op zoek naar een rubbertje voor je robbertje, dan wordt het knap lastig om de boel moreel overeind te houden. Tegen de tijd dat je eindelijk kan, heeft de stress misschien al meedogenloos  toegeslagen. “Sorry Saartje, zullen we dan maar gaan pingpongen?”

‘Sorry Saartje, zullen we dan maar gaan pingpongen?’

Ineens schiet me te binnen dat ik zelf nog een Durexje in mijn tas heb. Je ziet het er op mijn leeftijd (63) misschien niet zo aan af, maar ik heb al meer dan tien jaar een lover, Hesdey, opgedaan in de fase dat mijn hormonen, als een laatste eruptie van vrouwelijkheid, wanhopig maar constant door de keel gierden. Daar schijnen veel 50-plus vrouwen last of plezier van te hebben. Het klikte bij die eerste one night stand wonderbaarlijk goed tussen Hesdey en mij, en omdat we elkaar uitsluitend dáárvoor zijn blijven ontmoeten, is er tenslotte een soort Pavlov-reactie ontstaan, die de lust automatisch in stand houdt, ook nu de rest van ons leven allang niet meer door hormonen wordt bepaald.

De condoomloze man  ondertussen, heeft zich omgedraaid en vertrekt met licht gekwelde blik. Haastig frommel ik in mijn tasje. Uitgerekend op dat moment valt mijn bankpas op de grond. Ik raap ‘m op, vlug vlug, en roep ‘Meneer! Meneer!’ want hij is al gepasseerd, door de schuifdeuren heen naar buiten. De wachtende heer achter mij schiet effectief te hulp. “MENEER!!!” brult hij, met wel zo’n tien keer mijn volume, “UW PAS!!!”

Verbluft
De jongeman stopt, kijkt om, tast in zijn broekzak, ziet mij schielijk opdoemen en staart verbluft in zijn hand, als ik hem vertrouwelijk mijn laatste verpakking blauwe ‘Durex Natural’ toestop. Hij kijkt mij opnieuw aan, nu mogelijk nog verblufter. Maar ik ben al foetsjie! Tot ik besef dat hij mogelijk vreest, dat ik hier al 20 jaar mee rondloop – gewoon, omdat hoop doet leven. Ik keer mij om en roep in het wilde weg: “Nee, hij is nog niet verlopen!”
Ik voel me tevreden en ben trots op mijn Goede Daad.

De heer die achter mij in de rij stond gebaart beleefd, dat ik mijn plekje weer kan innemen. “Het is wat hè?” zegt hij vertrouwelijk, “dat mensen zó slordig met hun pasje omgaan  – en dan ook nog naar de hoeren!”
Ik knik maar eens vriendelijk. Per slot van rekening heeft hij mijn imago nog net op tijd gered.

Comments are closed.